Beverzever

Deel 1 van het prachtige Beververhaal

De Bruine Bever, Malak, had een belangrijke mededeling. Hij kwam naar het midden van de vijver en klapte met zijn staart. Klap, klap, klap, drie maal op het water. Alle andere bevers in de vijver hoorden het en haastten zich over de beverdam, die gebouwd was door Malak. Bij de beverdam werd een bijeenkomst gehouden.

“Wat denken jullie dat er aan de hand is?” vroeg de kleine bever met zijn scherpe voortanden. “Het gaat over de mensen in het nieuwe huisje.” Zei een van de tweeling bevers. “Dat weet ik,” zei de andere tweelingbever, ”omdat Malak daar vanmorgen in de buurt aan het zwemmen was.”

Van alle kanten van de vijver zwommen de bevers naar de ontmoetingsplaats. Malak zat op een boomstronk en keek heel gewichtig. Het was een wijze bever. Hij wist heel veel over het bos en over de vijver. Alle dieren waren zijn vrienden. Hij klapte in zijn voorpoten om stilte. De bevers, die in een kring om hem heen zaten, werden stil. “Grote en kleine bevers,” zei hij, “ik heb jullie iets belangrijks te vertellen.”

“Beneden bij de beek, bij de kromming van het meer, zijn vier mensen een huisje aan het bouwen. Er zijn twee grote en twee kleine mensen en ze lijken erg vriendelijk. De jongen zag mij het eerste en toen zwaaiden ze allemaal naar me. Ik sloeg met mijn staart op het water en dat vonden ze leuk. Toen ik terugging naar de beek om jullie het nieuws te vertellen kwam ik tic-tac de eekhoorn tegen. Hij vertelde me dat ze Jansen heetten. En omdat ik graag wil dat ze onze vrienden zullen worden, grote en kleine bevers, heb ik jullie bij elkaar geroepen om hun namen te geven. Zoals jullie weten, moeten alle vrienden van het bos namen hebben.”

“Hoe doen we dat?” vroeg de grootste bever, Keeo. “Wij willen ze eerst zien voor we ze namen geven.” “Goed,” zei Malak, “we gaan met zijn allen naar beneden om de familie Jansen te bekijken.”
Opgewonden zwom de groep naar de plek waar de familie druk bezig was met het zomerhuisje. Vader Jansen merkte als eerste de bevers op: “kijk eens, we hebben gezelschap. Draai je niet te snel om, anders maak je ze misschien bang.” Langzaam keken ze om en zagen ze de bevers.

“Zei ik niet dat we genoeg vrienden in het bos zouden hebben,” zei moeder. “Ik denk dat er een beverkolonie bij de dam in de beek is,” zei vader.

De bevers keken goed naar de mensen om te zien of ze een naam konden bedenken. Het meisje kwam dichter bij de dam en trok langzaam haar schoenen uit. De bevers gingen een beetje terug in het diepe water en het meisje begon te spetteren. De jongen, vader en moeder liepen een eindje de dam op en dachten dat de bevers wel weg zouden zwemmen. “Ik denk,” zei de jongen, “dat ze ons willen bekijken om te zien of wij wel aardig zijn.”

Toen klonk een luid geklap van Malak, waarop ze allemaal teruggingen. Verderop in de beek gingen ze met elkaar overleggen welke namen ze voor de mensen bedacht hadden. Malak zei: “De vader zag ons het eerst, ik denk dat we hem Valkenoog zullen noemen. “Oh, dat is een prachtige naam!” zeiden de bevers. De tweelingbevers begonnen te kwetteren: “zagen jullie de kleurige kleren die de moeder droeg? Het is net een regenboog. Laten we haar regenboog noemen!” Dat vonden de andere bevers een prima idee.

“Ik was het dichtst bij het meisje, toen zei naar het water kwam,” zie de bever met de kortste staart. “Ze spetterde en maakte grote bellen met haar voeten. Wat denken jullie ervan om haar Bubbels te noemen?” “Oké,” zeiden de andere bevers. “Hebben jullie gezien wat voor kleur haar de jongen heeft?” dat hadden ze, het leek wel roestbruin. “We zullen hem Rusty noemen,” zei Malak. Zo hadden ze voor iedereen een naam bedacht.